Halil, mede-eigenaar van Enspect B.V.14 augustus 2026
Een isolatiefout zie je meestal niet aan de buitenkant van een installatie. Toch kan beschadigde kabelisolatie, vocht in een verdeelinrichting of vervuiling in een motor leiden tot lekstromen, uitval en brandgevaar. Wie wil weten hoe meet je isolatieweerstand op een veilige en bruikbare manier, moet daarom verder kijken dan alleen de waarde op het meetinstrument. De voorbereiding, gekozen meetspanning en beoordeling van de uitkomst bepalen samen of de meting betrouwbaar is.
Een isolatieweerstandsmeting is geen routinematige handeling die u zonder risico op een onder spanning staande installatie uitvoert. De meting gebeurt spanningsloos, door een daarvoor aangewezen en vakbekwaam persoon. Zeker in bedrijfsinstallaties met frequentieregelaars, noodstroomvoorzieningen, PV-installaties of gevoelige elektronica vraagt dit om een doordachte aanpak.
Wat meet een isolatieweerstandsmeting precies?
Elektrische geleiders zijn voorzien van isolatiemateriaal dat moet voorkomen dat stroom een ongewenste weg kiest, bijvoorbeeld naar aarde, een metalen behuizing of een andere ader. De isolatieweerstand geeft aan hoe goed die scheiding nog functioneert. De waarde wordt uitgedrukt in megaohm, MΩ. In de basis geldt: hoe hoger de weerstand, hoe minder ongewenste lekstroom er kan lopen.
Een lage waarde kan wijzen op beschadiging, veroudering, vocht, vervuiling of verkeerde aansluitingen. De oorzaak hoeft echter niet altijd in de kabel zelf te zitten. Ook aangesloten apparatuur, overspanningsbeveiliging, lampdrivers, elektronisch geregelde motoren en filters kunnen de meetwaarde beïnvloeden. Daarom is een lage meetwaarde een signaal voor nader onderzoek, niet automatisch een bewijs dat een kabel moet worden vervangen.
Bij nieuwe installaties is de meting onderdeel van de verificatie volgens NEN 1010. Bij bestaande bedrijfsinstallaties maakt isolatieweerstand vaak deel uit van inspecties en onderhoud op basis van NEN 3140 of van een risico- en onderhoudsplan. De context bepaalt dus niet alleen wanneer u meet, maar ook welke onderdelen u beoordeelt en welke vervolgactie nodig is.
Hoe meet je isolatieweerstand stap voor stap?
Voor een betrouwbare meting gebruikt u een isolatieweerstandsmeter, ook wel megohmmeter genoemd. Dit instrument zet gedurende de meting een gelijkspanning op het te onderzoeken circuit. Een gewone multimeter is hiervoor niet geschikt: die meet met een veel lagere spanning en geeft geen representatief beeld van de isolatiekwaliteit onder beproevingscondities.
1. Maak de installatie spanningsloos en beveilig deze
Schakel de betreffende installatie of eindgroep uit, scheid deze van de voeding en voorkom dat iemand de spanning tijdens het werk weer inschakelt. Controleer vervolgens met een geschikt meetmiddel of de installatie daadwerkelijk spanningsloos is. Werk volgens de geldende bedrijfsvoering en veiligheidsprocedures, waaronder de afspraken uit NEN 3140.
Alleen een automaat uitschakelen is niet altijd voldoende. Bij meerdere voedingsbronnen, zoals een aggregaat, UPS, PV-omvormer of terugvoedende installatie, moeten ook die bronnen worden onderkend en veilig gescheiden. Juist bij complexe verdeelinrichtingen gaat het hier in de praktijk regelmatig mis.
2. Koppel gevoelige apparatuur los
De testspanning van een isolatieweerstandsmeter kan aangesloten elektronische componenten beschadigen of tot onbetrouwbare resultaten leiden. Koppel daarom apparatuur los die niet voor de toegepaste meetspanning is bedoeld. Denk aan frequentieregelaars, PLC’s, beveiligingsrelais, elektronische voorschakelapparaten, laders, omvormers, meetmodules en overspanningsbeveiligingen.
Ook apparaten die via stekkers zijn aangesloten verdienen aandacht. Als deze onderdeel blijven van het circuit, meet u niet uitsluitend de vaste installatie. Dat kan gewenst zijn bij een gerichte foutanalyse, maar niet wanneer u de kwaliteit van alleen de bekabeling en verdeelinrichting wilt beoordelen. Leg vooraf vast wat wel en niet binnen het meetbereik valt.
3. Kies de juiste meetspanning
De meetspanning hangt samen met de nominale spanning van het circuit en het type installatie. Volgens de gebruikelijke uitgangspunten van NEN 1010 geldt voor SELV- en PELV-circuits doorgaans een testspanning van 250 V DC, met een minimale isolatieweerstand van 0,5 MΩ. Voor circuits tot en met 500 V wordt doorgaans gemeten met 500 V DC, waarbij minimaal 1 MΩ wordt verwacht. Voor circuits boven 500 V is veelal 1.000 V DC van toepassing, eveneens met een minimale waarde van 1 MΩ.
Dit zijn uitgangspunten, geen vrijbrief om iedere installatie op dezelfde manier te testen. De voorschriften van de fabrikant en de aanwezige apparatuur kunnen een lagere testspanning of een andere meetmethode noodzakelijk maken. Bij twijfel is het verstandiger om eerst de installatieopbouw te beoordelen dan een standaardinstelling te kiezen.
4. Voer de meting tussen de juiste punten uit
Bij een installatie met fase-, nul- en beschermingsgeleider worden doorgaans de actieve geleiders samengenomen en gemeten ten opzichte van de beschermingsleiding of aarde. Daarmee controleert u of de isolatie tussen actieve delen en aarde voldoende is.
Afhankelijk van het doel van de inspectie kan ook tussen afzonderlijke geleiders worden gemeten, bijvoorbeeld tussen fase en nul of tussen verschillende fasen. Bij een foutzoekonderzoek helpt deze uitsplitsing om gerichter te bepalen waar de afwijking zit. Let er wel op dat schakelaars, contactoren en scheiders in de juiste stand staan. Een geopende schakelaar kan een deel van het circuit buiten de meting houden, waardoor een ogenschijnlijk goede waarde ontstaat.
Houd de test lang genoeg aan zodat de meter een stabiele waarde kan weergeven. Bij lange kabeltrajecten, vochtige installatiedelen of installaties met capaciteit kan de waarde in de eerste seconden nog veranderen. Noteer niet alleen de eindwaarde, maar ook het circuit, de meetspanning, de meetpunten en eventuele losgekoppelde componenten.
5. Ontlaad de installatie na de meting
Na een isolatieweerstandsmeting kan in kabels en aangesloten delen nog een elektrische lading aanwezig zijn. Veel professionele meetinstrumenten ontladen automatisch, maar controleer dit altijd volgens de werkwijze van het instrument. Pas daarna mag u leidingen, klemmen of apparatuur weer aanraken en opnieuw aansluiten.
Wanneer is de gemeten waarde goed genoeg?
Een uitkomst boven de normgrens betekent dat het circuit op het moment van meten aan de minimale eis voldoet. Dat is waardevol, maar het zegt niet dat de installatie daarmee volledig risicovrij is. Een kabel met een waarde van 1,2 MΩ voldoet mogelijk formeel, terwijl dezelfde kabel bij eerdere metingen tientallen of honderden megaohms liet zien. Die dalende trend kan reden zijn voor onderzoek, zeker in een productieomgeving waar uitval grote gevolgen heeft.
De beoordeling hangt af van de functie en omgeving van de installatie. In een droge kantooromgeving verwacht u doorgaans andere waarden dan in een vochtige technische ruimte, buitenopstelling of voedingscircuit van een procesinstallatie. Ook temperatuur, vochtigheid, kabellengte en aangesloten componenten hebben invloed. Vergelijk meetwaarden daarom bij voorkeur met eerdere, onder vergelijkbare omstandigheden uitgevoerde metingen.
Een zeer lage of instabiele waarde vraagt om segmenteren. Deel het circuit op door aftakkingen of verbruikers gecontroleerd los te nemen en meet opnieuw. Zo onderscheidt u een defect apparaat van een probleem in de vaste bekabeling. Vermijd daarbij tijdelijke oplossingen zoals het verwijderen van een aardverbinding of het overbruggen van beveiligingen. Daarmee verdwijnt hooguit het symptoom, niet het risico.
Veelgemaakte fouten bij het meten van isolatieweerstand
De meest voorkomende fout is meten terwijl elektronische apparatuur nog aangesloten is. Dat kan zowel schade als misleidende meetresultaten veroorzaken. Een tweede fout is het uitvoeren van de meting op een niet volledig spanningsloos gemaakte installatie. Dat is onveilig en kan het meetinstrument beschadigen.
Ook onvoldoende documentatie levert problemen op. Een rapport met alleen de mededeling ‘isolatieweerstand in orde’ biedt weinig houvast voor onderhoud, audits of een volgende inspectie. Noteer daarom per circuit de meetwaarde, toegepaste testspanning, meetconfiguratie, omstandigheden, afwijkingen en herstelde gebreken. Dit maakt de inspectie aantoonbaar en ondersteunt gericht onderhoud.
Bij grotere installaties is het verstandig om isolatieweerstandsmetingen niet als los controlemoment te behandelen. Combineer ze met visuele inspectie, controle van beschermingsmaatregelen, beproeving van aardlekbeveiligingen en waar nodig thermografisch onderzoek. Iedere methode ziet een ander type afwijking. Samen geven ze een betrouwbaarder beeld van de technische staat van de installatie.
Een goed uitgevoerde meting levert dus meer op dan een getal in megaohms. Zij helpt om risico’s vroeg te herkennen, herstelmaatregelen te onderbouwen en de bedrijfscontinuïteit beter voorspelbaar te maken. Bij twijfel over meetmethode, meetspanning of interpretatie is technische beoordeling door een deskundige inspecteur de veilige volgende stap.
Lees ook


